Stoppen bij de rode zakdoek

“De eigenaar van Citosa, Jelle Kok, had twee zoons,” vertelt Dreise, terwijl hij naar een oude foto wijst waar hij met hen opstaat. “Vooral tijdens de oorlog zat ik daar vaak. We hadden weinig school, want de Duitsers gebruikten de school als kazerne.” Hoewel hij toen al belangstelling voor bussen had, begon hij pas in de jaren zestig met het verzamelen van foto’s en documenten over bussen.

Tientallen jaren daarvoor verschenen de eerste bussen al in Zoetermeer. “In 1920 begon de Autodienst Onderneming Rotterdam met een lijn van Zegwaart en Zoetermeer naar Rotterdam. Na de Eerste Wereldoorlog werden veel vrachtwagens omgebouwd tot bus. Vaak werd er gewoon een soort hok opgezet. Het waren vaak caféhouders en kruideniers die met de bus begonnen als bijverdienste.”

Al snel kwamen er andere busmaatschappijen bij. “Wybe de Vries begon op 29 maart 1927 met een dienst van Benthuizen, via Zoetermeer en Berkel, naar Rotterdam. Hij kocht een pad aan de Stationsstraat, dat hij samen met de maatschappij in 1930 aan Jelle Kom verkocht.”

Ook het bedrijf van Piet van der Burg bestond slechts enkele jaren. “Hij verzorgde vanaf 1929 enkele jaren een stadsdienst. Met zijn Ford reed hij van wat nu station Zoetermeer Oost is naar de Broekweg. Het tarief bedroeg een dubbeltje.”

En dan was er nog Jan van Bergen Henegouw. “Hij reed onder de naam Garage Modern. Hij had namelijk een garage aan de Schinkelweg waar hij motorfietsen repareerde. Van Bergen Henegouw begon in 1924 met de lijn Zoetermeer – Pijnacker – Delft. Ook had hij een lijn naar Den Haag. Die verkocht bij in 1928 aan Jelle Kok.”

Omstreeks 1930 had Kok dus al een aantal buslijnen in handen. “Daar kwam ook nog de lijn Benthuizen – Hazerswoude bij. In dat laatste dorp konden mensen overstappen op de lijnen van Trio, het bedrijf van zijn vader.”

Al gauw kreeg Kok te maken met een grote tegenslag. De garage brandde in 1931 af. Verderop in de stationsstraat verrees een nieuw pand, vlakbij het ouderlijk huis van Dreise. “Het pand staat er nog, maar het is alleen verschrikkelijk vervuild door oud ijzer en oude olie.”

Kok noemde zijn bedrijf Citos, Latijn voor ‘snel’. “Dat veranderde hij al snel in Citosa, omdat een bedrijf in Den Haag al dezelfde naam droeg.” Ondertussen had de busmaatschappij vanwege de economische crisis moeite om het hoofd boven water te houden. “Daarom gaf Citosa in 1938 tachtig aandelen uit. Veertig verkocht hij aan de heer Schnitzler, de andere helft ging naar de Westlandse Stoomtramweg Maatschappij.”

Citosa werkte vanaf dat moment ook samen met de WSM. “In 1943 nam de WSM, een dochter van de Nederlandse Spoorwegen, alle aandelen over.” Daarvoor werden al bussen van WSM in Zoetermeer ingezet. “In 1941 begonnen ze ook met hetzelfde systeem voor plaatsbewijzen. Toen zijn ze ook begonnen met het plaatsen van haltepalen. Vroeger stopten de bussen namelijk overal. Vaak maakten mensen een rode zakdoek vast aan een paal, zodat de chauffeur zag dat de mensen met de bus meewilden.”

De Tweede Wereldoorlog bracht ook schaarste met zich mee. Dat gold zeker voor benzine. “Daarom werden de bussen van een gasgenerator voorzien. Antraciet werd daarin omgezet in gas, dat vervolgens gefilterd richting de motor ging. Regelmatig waren er echter problemen met de motoren,. Er waren er echter problemen met de motoren. Er waren weinig onderdelen beschikbaar. Dus als we op de verklikker in de garage hoorden dat er een probleem was, sprongen we de servicewagen in om mee te gaan.”

De bussen reden tijdens de oorlog minder frequent dan daarvoor. Maar het kon nog minder. Op Dolle Dinsdag, de dag waarop veel Nederlanders tevergeefs op de geallieerde troepen wachtten, begon een algemene staking van het openbaar vervoer. Na die dag, 5 september 1944, moest het personeel van Citosa onderduiken.

“De bussen bleven in de garage. Op twee na, die reden voor groothandelaar Noordam. Ze moesten ’s nachts rijden, omdat overdag door de geallieerden op alle vrachtwagen werd geschoten. Twee keer per week haalden ze roomboter uit Friesland voor de ziekenhuizen. Op de heenweg namen ze ondervoede kinderen mee.” Die konden in het noorden weer op krachten komen.

“Na de oorlog kwamen de busdiensten snel weer op gang. op 23 juli 1945 reed de eerste bus vanuit Zoetermeer naar Den Haag. De benzine hadden ze in grote jerrycans van het leger gekregen. De benzine was knalrood, het leek wel wijn.”

Naast de overgebleven bussen werden veel noodbussen ingezet. “In 1946 kreeg Citosa opleggers. Ze waren erg sterk, maar niet handig.” Een jaar later werd daarom al afscheid genomen van de opleggers. “Toen kwamen er weer echte bussen.” Citosa hield het samen met WSM nog uit tot 1969. Citosa ging toen op in busmaatschappij West-Nederland.

“Bussen blokkeerden de Dorpsstraat”

Van Centrum West was in de begin jaren van de busmaatschappijen uiteraard nog sprake. De garage van Citosa bevond zich dan wel in de Stationsstraat, de meeste bussen vertrokken vanuit de Dorpsstraat.

“Ze stonden vlak na de oorlog bij het café van Toon van Fraassen, Ons Genoegen, voor de deur. Dat is tegenover waar nu de Pasta Company zit. Vaak stonden de bussen daar vijftien minuten te wachten en was de hele straat geblokkeerd,” kijkt Dreise terug. Ook Van Fraassen kan hij zich nog goed voor de geest halen. “Hij hield ook van een borreltje op zijn tijd. Als hij dan wat op had, zette hij een rode pet op en pakte hij zo’n bord dat ook de stationschef had. Dan stond hij daarmee op straat en begon hij steeds harder te schreeuwen.”

De situatie bij het café, een van de smalste stukken van de Dorpsstraat, zorgde echter voor grote verkeersoverlast in het dorp. Per dag stopten daar tientallen bussen. De situatie werd nog eens verergend doordat veel bussen bij de Leidsewallen moesten draaien en ook daar het verkeer ophielden. Omdat de Dorpsstraat in die tijd de enige oost-westroute was, werd er geen oplossing voor de problemen gevonden. Wel werd in 1951 bepaald dat vervoerbewijzen niet voor het café verkocht mochten worden, maar pas een stuk verderop in de straat.

Pas jaren later kwam er een tweede busstation bij Molen De Hoop in de Stationsstraat. “Later verhuisden ze naar het begin van de Oranjelaan en nog weer later naar de Marijkestraat.”

De bussen, inmiddels in het geel van Westnederland of de opvolgers daarvan (Zuidwestnederland en Connexxion), stopten vanaf de jaren zeventig bij Centrum West.

Reactie achterlaten